Harrie de Laat verloor zijn been op de dag van de bevrijding
Harrie de Laat (84) maakte de bevrijding van heel dichtbij mee. Iets te dichtbij zelfs; hij verloor zijn been op de dag dat de geallieerden langs de boerderij trokken. Een Duitse mortiergranaat miste doel maar verwondde een onschuldige boerenzoon.
Harrie de Laat groeide op in een gezin van zes kinderen op boerderij De Kikvors in Vught. De Laat was veertien jaar toen de oorlog uitbrak. “Al weken wisten we dat de Duitsers er aan kwamen. Ze hadden Nederland nodig om naar Engeland door te steken. Dat is ze gelukkig nooit gelukt.” Maar de Koninklijke familie was al gevlucht en niet veel later hoorde de familie de Laat dat de Duitsers Nederland binnen drongen.
Na vijf dagen capituleerde Nederland. De Laat herinnert zich veel vliegtuigen. “Honderden vliegtuigen vlogen over onze boerderij. Toen ik tweede Pinksterdag terug kwam van de kerk waren de Duitsers al tot aan Vught getrokken.” Verkenners verkenden het gebied. “Er stond, op een gegeven moment een verkenningsgroep te motor op onze plaats. Mijn vader stond ze, met een revolver in zijn broek, te woord. Die heeft hij gelukkig nooit gebruikt. Maar angstaanjagend was het wel.”
De intocht van de Duitsers hield dagen aan. Via het landgoed Beukenhorst, wat een paar kilometer verderop lag, verkenden de Duitsers het gebied. “Er was geen verzet meer. We wisten dat we niets meer te vertellen hadden. Al de eerste dag dat de Duitsers langs de boerderij trokken vroegen ze om bonenkoffie en namen al onze fietsen mee. Ze zongen ‘Wir fahren nach England’.”
De familie De Laat bezat een gemengd bedrijf met onder andere aardappelteelt en melkvee. Niet ver van de boerderij lag Kamp Vught. De Laat werd gedwongen eten te leveren aan het kamp. Om de zoveel tijd ging hij langs met een kar vol aardappelen. Hij had geen idee of het eten voor de soldaten of voor de gevangenen was. “De gevangenen konden het goed gebruiken, dat was wel duidelijk. De omstandigheden waren daar onmenselijk. Gruwelijk om te zien.”
De Laat ging al een tijdje niet meer naar school. Voor de oorlog zat hij op de landbouwschool. “De landbouwscholen werden allemaal gesloten. Die scholen werden door de Duitsers niet gewaardeerd. De kennis die van de landbouwscholen kwam vonden ze overbodig. De gewone scholen bleven nog wel bestaan. Maar daar ben ik nooit naartoe gegaan. Ik ben gaan helpen op de boerderij.” Tijdens de oorlog, in 1943, is De Laat nog wel gekeurd voor de Duitse Arbeidsdienst. Gelukkig kende vader De Laat de NSB’er die de keuringen regelde en wist te voorkomen dat zijn zoon naar Duitsland werd gestuurd om te werken. “Mijn vader heeft die NSB’er ervan overtuigd dat ik onmisbaar was op de boerderij. Gelukkig maar, anders had ik wapens voor de vijand moeten gaan maken.”
Naarmate de jaren voorbij gingen werd de oorlog steeds grimmiger. “Regelmatig werd het voedsel en het vee bij ons op de boerderij ‘gevorderd’. De Duitsers namen de paarden mee en soms een stier of een varken. Ik ben nooit bedreigd maar een Duitser heeft me wel ooit een klap gegeven.” De Laat en zijn familie verzetten zich waar ze maar konden tegen de bezetters. Ze probeerden het voedsel wat ze oogsten zoveel mogelijk aan Nederlanders te verkopen of te vergeven. “Zolang het eten maar niet zomaar aan de Duitsers werd gegeven, ze bleven de vijand.”
Maar er was op de boerderij ook sprake van pure sabotage. “Regelmatig kwamen er een aantal Duitsers logeren, inkwartiering heette dat. Ook kregen wij bezoek van de Luftwaffe. Ik en mijn broers pikten hun gereedschap en begroeven dat ergens op het erf.” Een van zijn broers heeft ooit het paardentuig van drie Duitsers gestolen en in de beerput gegooid. “Tegen ons had hij niets verteld over zijn streek. Wij wisten uiteraard van niets toen de Duitsers hun paarden niet konden inspannen. Pas na de oorlog vertelde mijn broer dat hij het tuig had gepikt.”
In juni 1944 trokken de geallieerden via Normandië Frankrijk binnen. De bevrijding was begonnen maar het duurde nog tot september voordat de Nederlanders daar iets van merkten. “Toen de Canadezen, Amerikanen en de Engelsen waren geland werd het geweld agressiever. De Duitsers voelden zich in het nauw gedreven.”
Het was zondagmiddag september 1944 toen de familie De Laat enorme Engelse vliegtuigen zag overvliegen die soldaten, munitie en jeeps vervoerden. “Ook zag ik veel Engelse jachtvliegtuigen. De ingekwartierde Duitsers lagen bij ons in de achtertuin onder de bomen en beschoten de vliegtuigen. Ik heb wel eens soldaten uit hun vliegtuigen zien vallen. Dan lagen ze in het land, met twee hoge hopen zand aan weerszijden, zo hard waren ze tegen de grond geklapt.”
Ondanks de vele gevechten rondom de boerderij probeerde de familie gewoon het werk te blijven doen. “Er was honger en de koeien moesten melk geven om in leven te blijven.” Ondertussen vochten de geallieerden om het behoud van de Corridor tussen Eindhoven en Nijmegen.
Eind oktober werd het erg gevaarlijk rond landgoed Beukenhorst en de boerderij. “We kregen tientallen Duitsers op bezoek die allemaal brood met beleg wilden. Daarna trokken ze de bossen rondom de boerderij in om tegen de geallieerden te vechten. Die nacht sneuvelden er zo’n 200 Duitsers op landgoed Beukenhorst. Dit was erg spannend maar ook heel beangstigend.” De Laat zag de volgende dag vanuit de droogstaande sloten de Duitsers en de geallieerden met bajonetten op elkaar schieten. “Niet lang daarna staken de geallieerden twee boerderijen iets verderop met vlammenwerpers in brand. Mijn vader dacht dat het tijd was om te vluchten en stuurde mij en mijn broer uit de schuilkelder om wat te eten te gaan halen voor onderweg.”
“Waren we maar nooit naar boven gegaan om wat te eten te zoeken,” verzucht De Laat. De Duitsers probeerden de oprukkende geallieerden op afstand te houden met mortiergranaten. Op het moment dat De Laat en zijn broer door de stal renden gleed er een mortiergranaat door het rieten dak. “Vlak voor mijn voeten raakte de granaat de grond en knalde uit elkaar.” Van dat moment weet Harrie de Laat niet veel meer. Zijn broer kwam niet veel later terug om te kijken waar hij bleef. Hij had de knal niet eens gehoord, zoveel werd er rond de boerderij gevochten.
De Laat is de schuilkelder in gedragen waar hij een touwtje om zijn bloedende benen heeft gebonden. “Daartussen stak ik een stokje en draaide daarmee het touwtje steeds strakker zodat mijn benen zouden stoppen met bloeden. Ik was er slecht aan toe.” Een paar uur later, rond half zes, is de familie de Laat bevrijd door de Canadezen.
Door middel van een tolk konden de ouders van De Laat duidelijk maken aan de geallieerden dat er een gewonde jongen in de schuilkelder lag. De bevrijders beloofden hem de volgende ochtend mee naar het ziekenhuis te nemen. Ze hielden hun woord en namen hem mee naar Eindhoven. De weg daar naartoe was lang en pijnlijk. “De brug bij Best was kapot geschoten. De wagen, met nog zes gewonde Engelse soldaten, moest drie uur wachten voordat we over de noodbrug mochten. Soldaten en munitie gingen voor alles.” Die avond om half zeven is het rechter onderbeen van De Laat geamputeerd.
Pas een week later hoorden de ouders van De Laat of hun zoon nog in leven was. Een oud klasgenoot had dat voor hen uitgezocht. “De stank van rot vlees was verschrikkelijk in het ziekenhuis. Ook mijn niet geamputeerde been wasemde een vreselijke lucht uit. Maar je kunt beter rot vlees hebben dan een bacterie. Uiteindelijk is het ook goed genezen.” De tranen springen in De Laat zijn ogen wanneer hij vertelt over zijn thuiskomst na vier weken in het ziekenhuis te hebben gelegen. “Dat kun je je niet voorstellen, zo verschrikkelijk. Dat besef dat je een been mist en niet meer kunt werken zoals je dat altijd hebt gedaan.”
Desondanks heeft Harrie de Laat in zijn verdere leven toch zijn draai kunnen vinden. “De eerste weken in Vught waren zwaar. De buurjongens haalden me op in een kruiwagen om bij hen te komen kaarten. Ik moest lang wachten op mijn eerste prothese. Het bedrijf dat kunstbenen maakte had het natuurlijk druk, zo vlak na een oorlog.” Tot die tijd liep De Laat met een geïmproviseerd kunstbeen van gips en een stuk hout dat wegzakte in het land.
De Laat is na de oorlog nooit meer terug gegaan naar zijn oude school. Hij heeft verschillende cursussen gevolgd die hem hebben opgeleid tot melkcontroleur. Hij onderzocht en controleerde de melk in zeven gemeenten. Dit werk deed De Laat ruim 41 jaar en is hiervoor Koninklijk onderscheiden. “Dat moment vergeet ik nooit meer. Dat gaf mij het gevoel dat ik toch nog iets goed heb gedaan dit leven, dat ik iets heb bereikt.”
De Laat heeft wel meer bereikt. Zo is hij al jaren getrouwd, heeft zes gezonde kinderen groot gebracht en is de trotse opa van tien kleinkinderen. “Ik denk nog regelmatig terug aan de oorlog. Bovendien word ik er vaak mee geconfronteerd.” Sinds kort heeft Harrie de Laat een nieuwe heup en een nieuwe prothese die helaas nog niet helemaal lekker zit.