Fobie

Gillend schrik ik wakker. Rechtop in bed kijk ik gespannen richting mijn wastafel. Ik hoorde iets. Ik weet het zeker. Of tenminste, slaapdronken zeker.

Het begon in mijn vorige studentenhuis. Ongedierte in de stad is geen uitzondering. Ongedierte in een studentenhuis al helemaal niet. Regelmatig zag ik een muis in de keuken wegschieten. Er zat er zelfs een keer een in mijn prullenbak. Toen er ook kakkerlakken in dat huis bleken te zitten was mijn nieuwe fobie compleet. Het idee van muizen en kakkerlakken in mijn bed, ik kon er bijna niet meer van slapen.

Nieuw studentenhuis, beter schoonmaakrooster en een kat zouden mijn fobie wel onder controle krijgen. De eerste maanden ging het uitstekend. Maar steeds vaker hoor ik huisgenoten over muizen die hier ook blijken te zitten. Whiskey, onze 13-jarige tijger, weet er regelmatig een te verslinden maar heeft zelf een fobie voor mijn kamer, zo lijkt het.

Een paar weken geleden schrok ik voor het eerst wakker. Ik hoorde iets. Maar ik wist mezelf ervan te overtuigen dat het niets was. Even later schrok ik weer uit mijn slaap. Ik hoorde echt iets. Geknaag, geritsel van een plastic zakje, een muis! Ik kon niets zien en zodra ik bewoog hield het geluid op. Ik hoopte dat veel kabaal maken het beest wel zou doen afschrikken maar toen ik een uur later bijna wegdommelde werd ik met een gil wakker van nieuw geritsel.

Sindsdien word ik bijna elke nacht wakker van geluiden in de hoek van mijn wastafel. Pogingen om mijn kamer tot een paradijs voor Whiskey te maken zijn tevergeefs. Oordoppen is het enige wat helpt. En vanaf vannacht hopelijk ook die muizenval die ik voorzichtig onder mijn wastafel heb gestationeerd. Beetje pindakaas met daarop een stukje kaas. Want een huisgenoot die s’ochtends aan je vraagt ‘gilde jij zo vannacht?’, dat is gewoon gênant.

Een hommage aan de Nederlandse kleinkunst

Ken je dat gevoel? Het gevoel van kippenvel dat door je lichaam trekt bij het horen van prachtige muziek? Dat gevoel kreeg ik regelmatig toen ik zat te kijken naar de voorstelling van Andermans Veren Live! Met het stuk Kijk Omhoog! vertolkt het zevenkoppige ensemble de mooiste liedjes uit de Nederlandse kleinkunst. De gezongen liedjes zijn geen kopieën, eerder remakes. En bijna net zo mooi als het origineel.

Andermans Veren is een bekend televisie- en radioprogramma van de AVRO. Kick van der Veer, de levende encyclopedie van de Nederlandse kleinkunst, blikt al meer dan achttien jaar terug op de pareltjes uit het cabaret. Elke uitzending bevat een bepaald thema. Dit geldt ook voor de voorstelling Kijk Omhoog! De geboorte tot aan de dood wordt bezongen met bekende en minder bekende nummers. We worden geboren met Melk en Honing van Rob Chrispijn en gaan dood bij De Laatste Wagen van Michel van der Plas en Henk Elsink. De negen nummers daartussen beslaan het leven daartussen. Soms grappig en andere keren ontroerend gezongen door Bas Marée, Alice Rientjes, Jelle van Amersfoort, Sanne Eggenkamp en niet te vergeten Johan Hoogeboom. Een mooie aanvulling daarop zijn Ludo van der Winkel op contrabas en Femke van der Winkel op viool.

Na de pauze hebben we het levensloopthema achter ons gelaten en gaan we door met de echte klassiekers die iedereen wil horen. Bemoeienis van het publiek is geen taboe en er wordt tot twee keer toe naar verzoekjes gevraagd. Tearoom Tango schudt Bas Marée onvoorbereid uit zijn mouw, af en toe geholpen door het publiek. Hierbij wordt ook de veelzijdigheid van de muzikanten duidelijk. Gedurende de hele voorstelling doen zij actief mee, zingen af en toe en veranderen elk nummer van positie op het podium.

Het idee voor een hommage aan de Nederlandse kleinkunst bestond al langer. Johan Hoogeboom gaf les aan de Koningstheaterakademie in Den Bosch toen hij de zangers van Kijk Omhoog! leerde kennen. Met behulp van Kick van der Veer werd het idee voor de tour verder uitgewerkt en een selectie van de nummers gemaakt. Hierover is lang gepraat en veel geluisterd. Hoogeboom: “We hadden allemaal het veto-recht. Maar we waren ook wel coulant naar elkaar. Als iemand een bepaald nummer heel graag wilde zingen dan gingen we daar mee akkoord.” Zelf heeft Hoogeboom zich hard gemaakt voor het nummer Dit Is Het Land… van Annie M.G. Schmidt. “Een fantastisch nummer om te doen,” aldus Hoogeboom. Zijn veto ging uit naar de nummers van Maarten van Rozendaal. “Deze man heeft zo’n unieke stijl. Alleen hijzelf kan zijn liedjes zingen.”

Ondanks het gevarieerde publiek noemt Hoogeboom de voorstelling een beetje oubollig. “Tja, eigenlijk is het echt leuk voor de veertigplussers. Die kennen alle nummers uit hun jeugd.” Toch bestaat het publiek uit allerlei leeftijden die het stuk voor stuk naar hun zin lijken te hebben. En met mijn eigen 22 jaar kan ik met zekerheid stellen dat het enige oubollige aan deze voorstelling de kleding is. De muziek uit de Nederlandse kleinkunst is tijdloos. Kippenvel.

Deze recensie is geschreven in opdracht van Van Engelenburg Theaterproducties.
Fotografie: Andy Doornhein

Gezien: Theater De Engelenbak Amsterdam, op zondag 20 maart

 

Zwarte Muur

Met afschuw volg ik al vier dagen de berichtgeving rondom de natuurramp in Japan. Als Hollandse meid is het gewoonweg niet voor te stellen hoe een aardbeving moet voelen. Hoe het moet zijn om je huis aan je voorbij te zien drijven. En om geliefden te verliezen aan de kracht van de natuur.

Her en der kom ik hartverscheurende foto’s tegen, filmpjes van een zwarte muur van water die alles meeneemt wat hij op zijn pad tegenkomt. De voor en na foto’s van de zwaarst getroffen gebieden hebben geen woorden nodig. Alles is weggevaagd door de zwarte kolkende massa zonder genade.

En de Japanners? Op de filmpjes lijken ze rustig. Diep respect heb ik voor het ingetogen verdriet dat ze uiten. Geen schreeuwende menigte die machteloos de armen in de lucht gooit. Lichtjes gebogen schouders, het hoofd laag en een hand voor de mond. Getroost door elkaar snikken ze zachtjes maar hartverscheurend. En juist dit bescheiden verdriet brengt iets wat zich aan de andere kant van de wereld afspeelt zo dichtbij.

De Zoenrite

De laatste paar maanden beleef ik regelmatig ongemakkelijke momentjes met vriendinnen. Het Nederlandse begroetingsfenomeen is aan het afbrokkelen. Dit geldt vooral onder de vrouwen van mijn generatie. Wanneer ik een vriendin begroet gaf ik normaal gesproken altijd drie vluchtige zoenen. Maar tegenwoordig is niet iedereen daar meer voor in. Sommigen willen er maar één. Anderen twee. En weer anderen houden vast aan het oude gebruik.

Het probleem is dus dat er geen overeenstemming bestaat over hoeveel zoenen het moeten zijn. En daar wordt het ongemakkelijk. Sommige vriendinnen blijven afwachtend voor je gezicht hangen en maken een paar schijnbewegingen waardoor je soms spontaan begint te neuzen en zelfs kan eindigen in een zoen op de mond. Iets wat ik doorgaans probeer te voorkomen. Voor mijzelf heb ik besloten nog maar één kusje op de wang te geven. Ik vind het stijlvol, gemakkelijk en het rond het begroetingspatroon snel af.

In Amsterdam en omgeving wordt het een-keer-zoenen-gebruik al breed gedragen. Dit geldt helaas niet voor de rest van Nederland, familie en, jawel, de mannen. Tijdens de zoenrite grijpen ze je schouders stevig vast en trekken je naar zich toe. En met kwijlende opa of die nerd van twee hoog wil je het ongemakkelijke neus-momentje absoluut niet beleven.

Moeten we het dan maar op drie zoenen houden? Of gewoon meer verduidelijking geven voordat het begroetingsritueel start? Ik kies voor dat laatste. Ik kondig mijn gebruik aan in de hoop dat meer en meer mensen dit zullen overnemen. Want drie keer zoenen is simpelweg overbodig. Laten we dat gewoon niet meer doen met zijn allen.

Kus!

Elegant, vrouwelijk en onweerstaanbaar, zoals schoenen moeten zijn

Ik heb mezelf wel eens betrapt op onwillekeurig staren naar de meest comfortabele maar ook de meest afzichtelijke schoenen van dit moment: Uggs. Al een aantal jaren domineren deze ‘sloffen’ de winter en de zomer bij vele vrouwen. Ja, ook zomers zie ik meiden in strakke spijkerrokjes, flanerend op hun schapenvacht-gevoerde-sloffen. Bloedheet, dunkt me.

Mode zijn Uggs volgens mij al lang niet meer. De schoenen zijn onderdeel geworden van een bepaalde uitstraling. Casual, ongeïnteresseerd, knot losjes op het hoofd en een middagje shoppen. Studentes, meiden in de laatste jaren van de middelbare school en natuurlijk de ordinaire Anita’s met de neppers die letterlijk naast hun schoenen lopen.

Hoe lekker ze ook mogen zitten, vrouwen van Nederland geloof me: ze staan alles behalve flatteus. Ik ken geen man die beweert dat Uggs het figuur van de vrouw mooier maken, laat staan sexy vinden. Regelmatig denk ik terug aan de afleveringen van Sex and the City waarin Carrie het hartstochtelijk opneemt voor haar Manolo Blahniks; elegant, vrouwelijk, sexy en onweerstaanbaar. Zoals schoenen moeten zijn.

Natuurlijk hebben we allemaal onze dagen dat we het liefst in onze pyjama naar de supermarkt sloffen. Maar laten we het dragen van Uggs tot die momentjes beperken. Zeker nu er zich weer iets nieuws voor doet op straat: Uggs voor mannen.

Er écht staan

“Merel, Wanda wist bij de bespreking niet meer wie je was.” Die zin laat ik even op me inwerken. ‘Wanda wist niet meer wie ik was.’ Een vrouw met de naam Wanda wist niet meer wie ik was. Die opmerking komt hard en onverwacht. 

Ik zit bij de nabespreking van mijn gefaalde auditie van een week eerder. Mijn toneeldocente probeert mij zakelijk doch rechtvaardig uit te leggen wat er mis ging. Waarom ik niet mee mag doen met het toneelstuk ‘Meiskes en Jongens’. Ik had gehoopt op een concreter probleem. Iets als, we zijn niet naar jouw type op zoek of dat ene geïmproviseerde stukje ging helemaal mis. Maar nee, het gaat dieper dan dat; ik had nóg meer moeten geven. “Een tandje meer energie, er écht staan.”

Ik kan het maar moeilijk begrijpen. Ik deed toch mijn uiterste best? Ik heb gesmeten met pennen en tassen, ben woest over het toneel gestampt, ik heb verleidt in mijn meest ordinaire vorm en een monoloog tot in de puntjes uitgewerkt. Maar de onderliggende laag van dit alles klopte dus niet. De uitstraling, de energie, het was niet genoeg. Ik viel niet op. Tenminste, bij Wanda niet.

Boosheid, verleiding, verdriet. Ik kan het allemaal ‘spelen’. Maar energie en uitstraling komt uit jezelf. Dat ben je echt en kun je niet spelen, dat moet je voelen. Maar onder een dikke laag zenuwen voor je eerste auditie is dat gevoel moeilijk op te roepen.

“Was ik maar nooit uit de schuilkelder gekropen”

Harrie de Laat verloor zijn been op de dag van de bevrijding

Harrie de Laat (84) maakte de bevrijding van heel dichtbij mee. Iets te dichtbij zelfs; hij verloor zijn been op de dag dat de geallieerden langs de boerderij trokken. Een Duitse mortiergranaat miste doel maar verwondde een onschuldige boerenzoon.

Harrie de Laat groeide op in een gezin van zes kinderen op boerderij De Kikvors in Vught. De Laat was veertien jaar toen de oorlog uitbrak. “Al weken wisten we dat de Duitsers er aan kwamen. Ze hadden Nederland nodig om naar Engeland door te steken. Dat is ze gelukkig nooit gelukt.” Maar de Koninklijke familie was al gevlucht en niet veel later hoorde de familie de Laat dat de Duitsers Nederland binnen drongen.

Na vijf dagen capituleerde Nederland. De Laat herinnert zich veel vliegtuigen. “Honderden vliegtuigen vlogen over onze boerderij. Toen ik tweede Pinksterdag terug kwam van de kerk waren de Duitsers al tot aan Vught getrokken.” Verkenners verkenden het gebied. “Er stond, op een gegeven moment een verkenningsgroep te motor op onze plaats. Mijn vader stond ze, met een revolver in zijn broek, te woord. Die heeft hij gelukkig nooit gebruikt. Maar angstaanjagend was het wel.”

De intocht van de Duitsers hield dagen aan. Via het landgoed Beukenhorst, wat een paar kilometer verderop lag, verkenden de Duitsers het gebied. “Er was geen verzet meer. We wisten dat we niets meer te vertellen hadden. Al de eerste dag dat de Duitsers langs de boerderij trokken vroegen ze om bonenkoffie en namen al onze fietsen mee. Ze zongen ‘Wir fahren nach England’.”

De familie De Laat bezat een gemengd bedrijf met onder andere aardappelteelt en melkvee. Niet ver van de boerderij lag Kamp Vught. De Laat werd gedwongen eten te leveren aan het kamp. Om de zoveel tijd ging hij langs met een kar vol aardappelen. Hij had geen idee of het eten voor de soldaten of voor de gevangenen was. “De gevangenen konden het goed gebruiken, dat was wel duidelijk. De omstandigheden waren daar onmenselijk. Gruwelijk om te zien.”

De Laat ging al een tijdje niet meer naar school. Voor de oorlog zat hij op de landbouwschool. “De landbouwscholen werden allemaal gesloten. Die scholen werden door de Duitsers niet gewaardeerd. De kennis die van de landbouwscholen kwam vonden ze overbodig. De gewone scholen bleven nog wel bestaan. Maar daar ben ik nooit naartoe gegaan. Ik ben gaan helpen op de boerderij.” Tijdens de oorlog, in 1943, is De Laat nog wel gekeurd voor de Duitse Arbeidsdienst. Gelukkig kende vader De Laat de NSB’er die de keuringen regelde en wist te voorkomen dat zijn zoon naar Duitsland werd gestuurd om te werken. “Mijn vader heeft die NSB’er ervan overtuigd dat ik onmisbaar was op de boerderij. Gelukkig maar, anders had ik wapens voor de vijand moeten gaan maken.”

Naarmate de jaren voorbij gingen werd de oorlog steeds grimmiger. “Regelmatig werd het voedsel en het vee bij ons op de boerderij ‘gevorderd’. De Duitsers namen de paarden mee en soms een stier of een varken. Ik ben nooit bedreigd maar een Duitser heeft me wel ooit een klap gegeven.” De Laat en zijn familie verzetten zich waar ze maar konden tegen de bezetters. Ze probeerden het voedsel wat ze oogsten zoveel mogelijk aan Nederlanders te verkopen of te vergeven. “Zolang het eten maar niet zomaar aan de Duitsers werd gegeven, ze bleven de vijand.”

Maar er was op de boerderij ook sprake van pure sabotage. “Regelmatig kwamen er een aantal Duitsers logeren, inkwartiering heette dat. Ook kregen wij bezoek van de Luftwaffe. Ik en mijn broers pikten hun gereedschap en begroeven dat ergens op het erf.” Een van zijn broers heeft ooit het paardentuig van drie Duitsers gestolen en in de beerput gegooid. “Tegen ons had hij niets verteld over zijn streek. Wij wisten uiteraard van niets toen de Duitsers hun paarden niet konden inspannen. Pas na de oorlog vertelde mijn broer dat hij het tuig had gepikt.”

In juni 1944 trokken de geallieerden via Normandië Frankrijk binnen. De bevrijding was begonnen maar het duurde nog tot september voordat de Nederlanders daar iets van merkten. “Toen de Canadezen, Amerikanen en de Engelsen waren geland werd het geweld agressiever. De Duitsers voelden zich in het nauw gedreven.”

Het was zondagmiddag september 1944 toen de familie De Laat enorme Engelse vliegtuigen zag overvliegen die soldaten, munitie en jeeps vervoerden. “Ook zag ik veel Engelse jachtvliegtuigen. De ingekwartierde Duitsers lagen bij ons in de achtertuin onder de bomen en beschoten de vliegtuigen. Ik heb wel eens soldaten uit hun vliegtuigen zien vallen. Dan lagen ze in het land, met twee hoge hopen zand aan weerszijden, zo hard waren ze tegen de grond geklapt.”

Ondanks de vele gevechten rondom de boerderij probeerde de familie gewoon het werk te blijven doen. “Er was honger en de koeien moesten melk geven om in leven te blijven.” Ondertussen vochten de geallieerden om het behoud van de Corridor tussen Eindhoven en Nijmegen.

Eind oktober werd het erg gevaarlijk rond landgoed Beukenhorst en de boerderij. “We kregen tientallen Duitsers op bezoek die allemaal brood met beleg wilden. Daarna trokken ze de bossen rondom de boerderij in om tegen de geallieerden te vechten. Die nacht sneuvelden er zo’n 200 Duitsers op landgoed Beukenhorst. Dit was erg spannend maar ook heel beangstigend.” De Laat zag de volgende dag vanuit de droogstaande sloten de Duitsers en de geallieerden met bajonetten op elkaar schieten. “Niet lang daarna staken de geallieerden twee boerderijen iets verderop met vlammenwerpers in brand. Mijn vader dacht dat het tijd was om te vluchten en stuurde mij en mijn broer uit de schuilkelder om wat te eten te gaan halen voor onderweg.”

“Waren we maar nooit naar boven gegaan om wat te eten te zoeken,” verzucht De Laat. De Duitsers probeerden de oprukkende geallieerden op afstand te houden met mortiergranaten. Op het moment dat De Laat en zijn broer door de stal renden gleed er een mortiergranaat door het rieten dak. “Vlak voor mijn voeten raakte de granaat de grond en knalde uit elkaar.” Van dat moment weet Harrie de Laat niet veel meer. Zijn broer kwam niet veel later terug om te kijken waar hij bleef. Hij had de knal niet eens gehoord, zoveel werd er rond de boerderij gevochten.

De Laat is de schuilkelder in gedragen waar hij een touwtje om zijn bloedende benen heeft gebonden. “Daartussen stak ik een stokje en draaide daarmee het touwtje steeds strakker zodat mijn benen zouden stoppen met bloeden. Ik was er slecht aan toe.” Een paar uur later, rond half zes, is de familie de Laat bevrijd door de Canadezen.

Door middel van een tolk konden de ouders van De Laat duidelijk maken aan de geallieerden dat er een gewonde jongen in de schuilkelder lag. De bevrijders beloofden hem de volgende ochtend mee naar het ziekenhuis te nemen. Ze hielden hun woord en namen hem mee naar Eindhoven. De weg daar naartoe was lang en pijnlijk. “De brug bij Best was kapot geschoten. De wagen, met nog zes gewonde Engelse soldaten, moest drie uur wachten voordat we over de noodbrug mochten. Soldaten en munitie gingen voor alles.” Die avond om half zeven is het rechter onderbeen van De Laat geamputeerd.

Pas een week later hoorden de ouders van De Laat of hun zoon nog in leven was. Een oud klasgenoot had dat voor hen uitgezocht. “De stank van rot vlees was verschrikkelijk in het ziekenhuis. Ook mijn niet geamputeerde been wasemde een vreselijke lucht uit. Maar je kunt beter rot vlees hebben dan een bacterie. Uiteindelijk is het ook goed genezen.” De tranen springen in De Laat zijn ogen wanneer hij vertelt over zijn thuiskomst na vier weken in het ziekenhuis te hebben gelegen. “Dat kun je je niet voorstellen, zo verschrikkelijk. Dat besef dat je een been mist en niet meer kunt werken zoals je dat altijd hebt gedaan.”

Desondanks heeft Harrie de Laat in zijn verdere leven toch zijn draai kunnen vinden. “De eerste weken in Vught waren zwaar. De buurjongens haalden me op in een kruiwagen om bij hen te komen kaarten. Ik moest lang wachten op mijn eerste prothese. Het bedrijf dat kunstbenen maakte had het natuurlijk druk, zo vlak na een oorlog.” Tot die tijd liep De Laat met een geïmproviseerd kunstbeen van gips en een stuk hout dat wegzakte in het land.

De Laat is na de oorlog nooit meer terug gegaan naar zijn oude school. Hij heeft verschillende cursussen gevolgd die hem hebben opgeleid tot melkcontroleur. Hij onderzocht en controleerde de melk in zeven gemeenten. Dit werk deed De Laat ruim 41 jaar en is hiervoor Koninklijk onderscheiden. “Dat moment vergeet ik nooit meer. Dat gaf mij het gevoel dat ik toch nog iets goed heb gedaan dit leven, dat ik iets heb bereikt.”

De Laat heeft wel meer bereikt. Zo is hij al jaren getrouwd, heeft zes gezonde kinderen groot gebracht en is de trotse opa van tien kleinkinderen. “Ik denk nog regelmatig terug aan de oorlog. Bovendien word ik er vaak mee geconfronteerd.” Sinds kort heeft Harrie de Laat een nieuwe heup en een nieuwe prothese die helaas nog niet helemaal lekker zit.

Wachten

Een meisje, met een slome tred waggelt ze door de grote hal, alsof haar donzige jas te strak zit. Een Marokkaan, heftig kauwend op een stokje, kijkt verveelt omhoog naar het aankomst –en vertrekbord. Een te dikke vrouw, kleine hapjes nemend van haar Swirl, wetend dat ieder hapje in haar kontje verdwijnt. Een knappe jongen rent voorbij, drie opgetutte meisjes kijken hem na. Een gevaarte waar geen echt haar meer aan zit, met plateauzolen en wollige been warmers. Haar korte rokje wiebelt heen en weer. Twee politieagenten lopen het gevaarte zo voorbij, zonder om te kijken. Een groep tieners met vieze, kapot gelopen schoenen dartelen langs, uitgelaten voor de avond die komen gaat. Een doorsnee meisje met een te knap vriendje zoenen. Een blond meisje met een rode broek op een bankje. Ze observeert het geheel. Ze staat op, nog drie minuten. De grote hal op een zaterdagavond. Utrecht Centraal bruist. Ik ga naar huis. Weekend.

“Help me dan! Een Smoker, ik ga dood!”

Het sociaal gamen naar een hoger level

Door Merel Hurkmans

AMSTERDAM – De grond ligt bezaaid met lege chips –en snoepzakken en overal staan halflege flessen cola. Voor wie niet beter weet zou denken dat hier een flink feestje aan de gang is. Dat is in zekere zin ook zo, al zie je op een doorsnee feest niet acht computers langs elkaar opgesteld staan waarachter verschillende jongens als bezetenen op de toetsen rammen en vluchtig met hun muis over de tafel bewegen. American party’s zijn niet meer van nu. Een echte LAN-party is helemaal 2010.

LAN staat voor Local Area Network en de feestjes die daarbij horen worden, sinds het betaalbaar maken van netwerkkabels, steeds vaker georganiseerd. Bij het LAN-en worden verschillende computers op elkaar aangesloten zodat gamers via een server tegen of met elkaar kunnen spelen. In tegenstelling tot het vooroordeel dat er over gamers bestaat is dit een hele sociale aangelegenheid. De LAN bijeenkomsten worden vaak georganiseerd door vrijwilligers en liefhebbers maar ook door grotere organisaties waarbij er tijdens het gamen wat te winnen valt.

Patrick heeft voor de gelegenheid zijn appartement in Amsterdam opengesteld voor zijn vrienden en hun computers. Vijf dagen is Patrick zijn privacy kwijt. “Behalve als ik slaap, dat zijn nu de momentjes voor mezelf,” zegt hij lachend. Op een lange tafel staan zeven computers langs elkaar heen opgesteld. Voor een comfortabel uitziende bank staat een gigantisch plasmascherm waar Thijs, een jongen met een grote bril, op een geïmproviseerd tafeltje zijn toetsenbord heeft gestationeerd. Zonder zijn ogen van het scherm af te wenden gaat hij razendsnel met zijn vingers over het toetsenbord. Met zijn muis bestuurt hij het gezichtsveld van zijn gameheld. Hij speelt tegen Geerd, die even verderop aan de lange tafel zit. Geerd is vrijwel kaal en zijn ogen staan wazig. Ook hij ramt op de toetsen. De twee jongens zijn in een hevig gevecht verwikkeld waarvan het geluid wordt gedempt door hun koptelefoons.

Geerd geeft een laatste klap op zijn toetsenbord en leunt abrupt naar achter. “Ja verdomme!” roept hij naar Thijs op de bank. Thijs kijkt met een grijns om. Het is duidelijk dat hij het spelletje heeft gewonnen. Geerd sluit af en begint met het draaien van een jointje. Ondertussen zijn een paar andere jongens begonnen met een gezamenlijk spel waarbij ze in teamverband honderden zombies moeten doodschieten. Er wordt erg fanatiek gespeeld en in de kleine pauze momentjes schenken de jongens gauw nog een glas cola voor zichzelf in. Dan spelen ze weer door. De zombies uit het spel maken slijmerige geluiden en de jongens schrikken regelmatig op als ze plotseling worden belaagd door een zogenaamde ‘hunter’ uit het spel. “Help me dan! Een Smoker! Ja, nu ben ik bijna dood,” schreeuwt Tim, een jongen met oorbellen, warrige baard en een staartje in zijn haar. “Waar ben je dan?” roept Henco terug. Lichte paniek doorklinkt in zijn stem.

Geerd en Tim hebben samen het record van het aantal speeluren. “Vorig jaar begonnen we om twee uur s’middags te spelen en opeens was het weer licht buiten. Het was toen elf uur s’ochtends,” vertelt Tim met lichte trots. “Over de hoofdpijn van te lang gamen zijn de meeste van ons al heen gegroeid.” Thijs draait zich lachend om naar de rest. “Ik heb wel eens gehad dat mijn vriendin s’nachts wakker werd omdat ik in mijn slaap riep ‘Heal me! Heal me dan!’” vertelt hij.

De jongens herkennen zich niet in de bezorgde berichten die soms in de media verschijnen over dat te veel gamen agressie zou opwekken. “Ik raak eerder gefrustreerd omdat ik een spel niet voltooid krijg dan dat ik er agressief van wordt.” zegt Geerd schouderophalend terwijl hij de joint tussen zijn lippen steekt. Hij stapt het balkon op en slaat zijn jas dichter om zich heen. “Bah, wat is het koud.” Gelukkig voor de jongens is gamen een binnen activiteit.

Geen vliegende auto’s, wel een OV-chipkaart

Een gemiddelde rij in het zomerseizoen bij de Efteling won het niet van mijn rij, waar ik op dat moment in stond. Ik probeerde mijn tenen in mijn schoenen te bewegen om ze een beetje beter doorbloed te laten raken. Dat lukte niet, met twee paar sokken aan mijn voeten zaten ze net te strak. Zuchtend werd ik opzij geduwd door weer iemand die door de rij wilde breken. Met tegenzin liet ik de gehaaste reiziger erlangs. Zijn laptoptas gaf me nog een klap tegen mijn knie.

Met een verbeten gezicht keek ik langs de rij hoe lang het nog zou duren voordat ik eindelijk aan de beurt was. Nieuwsgierige reizigers, vooral oudere meneren en mevrouwen, hielden hun pas even in om te kijken wat zo’n lange rij, midden door Utrecht Centraal, veroorzaakte. Viel daar soms iets gratis te krijgen? Helaas, niet voor hen. Mij wachtte echter weer een jaar ‘gratis’ reizen door Nederland. Maar voor het zover was moest ik eerst het studenten abonnement voor mijn OV-chipkaart activeren. En daar hoorde een lange rij van ongeduldige studenten bij.

Wat duurde het lang. “Waarom duurt het zo lang?” hoorde ik regelmatig achter en voor me. Ik had het sterke vermoeden dat de meeste mensen gewoon dom zijn en, in tegenstelling tot mijzelf, de demo over hoe het moest niet op internet hadden bekeken. Ik kreeg heel veel zin om iedereen te sommeren eerst die verrekte demo te gaan bekijken voordat ze zich aansluiten in de rij. Maar inmiddels was ik weer een paar meter vooruit geschuifeld dus ik hield me in. Het is tijd om helemaal 2010 te gaan. Nog geen vliegende auto’s maar wel een OV-chipkaart.

Na ruim een half uur wachten was het zo ver. Ik stond voor het gele kastje en eindelijk zou ik die rij achter me laten zien hoe het wel moest. Net als naar het toilet gaan bij de dames. Dat duurt ook altijd zo godsgruwelijk lang bij sommige meiden terwijl het gewoon een kwestie is van broek uit, doe je ding en broek weer aan. Klaar. Ik propte mijn pasje ongeduldig in het apparaat en wachtte. De zenuwen sloegen toe. Zorgvuldig deed ik wat ik op het internet had gezien. Het apparaat moest lang nadenken en ik kwam tot de conclusie dat al mijn voorgangers helemaal niet zo dom waren als ik dacht. Het was dit apparaat. En de OV-chip organisatie die op het drukste station van Nederland maar één zo’n ding neer zet. Stelletje prutsers.